Buikkramp, kaakpijn, ademnood, proeststuip, tranende ogen... Denk je de winter
snot- en virusloos te zijn doorgekomen, krijg je dìt weer. Jonge cabarettalenten
besmetten massaal het argeloze theaterpubliek, waarbij grof geweld niet wordt
geschuwd. Eenmaal begonnen met lachen, kom je er niet meer vanaf.
Najib Amhali (Nador,
Marokko, 28), Jochem Myjer (Leiden, 22) en Rooyackers (Haarlem, 24), Kamps &
Kamps (Utrecht, 21) kunnen allemaal betiteld worden als de nieuwe cabaretbeloften
die in het najaar de theaters bestormen met hun avondvullend programma. Misschien
heb je ze al gezien, want de afgelopen maanden stonden ze in de theaters met
een kort programma, samen met een andere cabaretier die ook nog geen avondvullende
voorstelling heeft. En zo krijgt het publiek twee of drie cabaretacts voor de
prijs van één. Geen wonder dat die combi-optredens vaak zijn uitverkocht.
NAJIB AMHALI ('maar als dat te moeilijk is mag je ook Nico
zeggen') bleek een vooruitziende blik te hebben en noemde zijn korte programma
Vol = Vol. Vorig jaar won hij het Leids Cabaret Festival, en nu staat hij met
het stand-up comedygezelschap Fresh Wagon (de jonge en snellere afsplitsing
van Comedytrain) op het Drum Rhythm Festival. Wie hem eerder heeft zien optreden,
weet dat hij niet onder doet voor Theo Maassen of Hans Teeuwen.
'Of ik het gemaakt heb? Nee. Maassen en Teeuwen hebben al drie programma's achter
hun naam staan, Youp van 't Hek is miljonair en verkoopt boekjes... Ik heb nog
niet eens T-shirtjes! Ik ga het maken, dat is iets wat zeker is. Ik heb al fans
die me schrijven en cadeautjes geven en soms word ik op straat herkend: Ben
jij nou die ene comedian? Dan zeg ik: Nee, ik ben die ànder.'
Najib geldt als een van de beste human beat boxers van Nederland en hij is een
meester in het imiteren van geluiden. Zijn versie van de laatste aflevering
van de Fabeltjeskrant, waarin Johan V. het praathuis heeft opgekocht en Bor
de Wolf een forse gebruiker is ('Hatsikidee, doe mij maar een gram of twee'),
kan tot een succesnummer gerekend worden. Na de toneelschool ('ik voelde me
toch niet zo aangesproken tot Shakespeare'), deed hij auditie bij Comedytrain.
'Dat was verschrikkelijk eng. Sommigen die voor mij speelden, gingen vreselijk
af en het leek me zo erg als je een grap maakte waar niemand om moest lachen.
Bovendien weet je met stand-up nooit wat er kan gebeuren. Iemand kan opeens
AAP! roepen en dan moet je daar wel iets mee doen en ik wist niet of ik dat
wel kon. Dus ik zat aan de bar, bestelde drankje na drankje, zodat ik even later
flink aangeschoten het podium op stapte. Voordat ik het wist was ik al tien
minuten bezig, en dat was de tijd die ik had gekregen. Maar toen was ik nog
helemaal niet aan mijn materiaal toegekomen, ik had gewoon staan improviseren.
De mensen van Comedytrain zeiden dat ik weg moest, maar ik wilde echt nog mijn
materiaal spelen. Ik was toch nog niet begonnen?! Uiteindelijk wisten ze mij
toch van het podium te krijgen en ik was boos dat ik mijn materiaal nog niet
eens had mogen spelen. Ik had dus ook nooit gedacht dat ze mij zouden aannemen,
want ik dacht dat ze kwaad op me waren. Maar dat viel mee.
Vier jaar later won ik het Leids Cabaret Festival. Ik doe dan wel geen echt
cabaret, maar er zit een liedje in, dus mag het stand-up cabaret heten. Ik ben
van plan mijn volgende programma meer cabaretesk te maken. Ik wil nu dingen
gaan uitbeelden, en mooie verhalen vertellen. Als comedian was ik gewend dat
het geen moment stil mocht zijn, en dat je alleen maar grappen moest maken,
omdat je anders de aandacht kwijt bent. Maar nu mag ik best eens stil zijn.
Een ander verschil tussen cabaret en stand-up is dat het verhaal veel meer vast
staat. Toch, als er iets gebeurt, stap ik net zo makkelijk even van mijn verhaal
af. Laatst lag een man dubbel van het lachen, die had gewoon buikpijn. Hij was
ook de enige die zo hard lachte, dus het viel heel erg op. Uiteindelijk is hij
naar buiten gelopen, waarop ik tegen het publiek zei dat we even op hem zouden
wachten. Dus toen die man terug kwam, vroeg ik of het weer ging. Nee, zei die
man, schoot in de lach en liep de zaal opnieuw uit.
Zelf moet ik ook wel eens lachen op het podium, vaak doordat iemand een opmerking
maakt. Zo vraag ik in mijn programma wat nou echt kenmerkend is voor Nederland,
wat nou cultureel is en waar je dan heen gaat. Hoor ik opeens een man Bergeyk
zeggen. Geweldig. Het is leuk als ik veel reacties uit de zaal krijg, meestal
duren die optredens dan ook langer.'
In zijn programma heeft Najib het vooral over zijn vader die probeerde in de
Nederlandse samenleving te integreren, waarmee en passant de verschillen tussen
Nederland en Marokko op de hak worden genomen. 'Als Marokkaan kom ik graag bij
de mensen thuis,' zo begint hij. 'Maar ik ben blij dat u nu allemaal bij mij
in de zaal zit. Ik hoop alleen dat mijn Marokkaanse broeders nu niet bij u thuis
zitten.'
Ook JOCHEM MYJER komt graag bij de mensen thuis. Met zijn
razendsnelle programma Gegabber
won hij in 1997 het Groninger Studenten Cabaret Festival en een jaar later het
RTL-5 Student Talent.
'Eén van de leukste dingen is het zwerfbestaan dat ik nu leid. Ik heb
geen auto, dus ik kom met de trein meestal niet meer terug naar Groningen, waar
ik woon. Vaak vraag ik aan de mensen die na afloop van de voorstelling naar
mij toekomen, of ik bij ze mag logeren. Eigenlijk is dat altijd wel goed. Dan
word ik de volgende ochtend in een vreemd bed wakker, krijg een lekker ontbijtje
van die mensen en dan neem ik de trein weer terug. Laatst stond ik in Groesbeek
en toen ik klaar was, was mijn collega al weg. In de zaal had een voetbalelftal
gezeten en 's avonds ben ik met een paar voetballers meegegaan naar Wychen,
een plaatsje daar in de buurt.
We eindigden in de plaatselijke kroeg, waar op een gegeven moment iemand naar
me toe kwam en zei: hé, ik ken jou, jij bent die cabaretier. Voor ik
het wist stond ik met een microfoon in mijn hand te beatboxen.'
Jochem studeerde biologie toen hij zich inschreef voor het Groninger Studenten
Cabaret Festival. Voor niemand was het een verrassing dat hij won, behalve voor
zichzelf.
'Ik was net twintig en iedereen was minstens vier jaar ouder dan ik. Ook hadden
ze allemaal ooit wel eens aan een cabaretfestival meegedaan en daar kwam ik,
als onervaren broekie. Ik heb nooit gedacht dat er maar zelfs een kans zou zijn
dat ik zou winnen. Ik was altijd maar een beetje aan het aankloten geweest op
open podia en zo. Toen ik won kreeg ik opeens een impresariaat dat allerlei
optredens voor mij regelde. Eerst probeerde ik nog wel mijn studie ernaast te
doen, maar uiteindelijk kreeg ik zoveel optredens dat ik die studie maar heb
laten zitten. En nu ben ik op weg naar de top. Tenminste, dat is wel de bedoeling.
Het lijkt me mooi om mijn eigen publiek te hebben, net als Theo Maassen en Hans
Teeuwen. Ik zou er geen genoegen mee nemen als ik de rest van mijn carrière
in jongerencentra en kleine zaaltjes zou moeten aankloten, want in grote zalen
speel ik toch het lekkerst. Kan ik lekker stuiteren en als ik dan mijn eigen
publiek heb, stuitert dat met mij mee...
Ik speel heel energiek, snelheid vind ik heel belangrijk. Als ik een paar minuten
heb gepraat, wil ik weer achter de piano kruipen. Van de ene scène naar
de andere, alles moet kort en krachtig. Ik bedenk mijn programma's ook per minuut.
Het gebeurt vaak dat ik iets heb bedacht van vijf minuten, maar als ik het dan
speel, zijn er nog maar twee van over gebleven. Het moet ook niet langer duren,
anders valt het teveel op in de voorstelling. Dat vind ik zelf ook als ik naar
cabaret kijk: het moet snel zijn. Tja, ik hoor tot de zapgeneratie, maar ik
was vroeger eigenlijk heel rustig. Tot mijn tweede jaar. Toen ben ik van de
trap gepleurd en op mijn kop terecht gekomen. Drie weken na die val werd ik
opeens heel druk. En dat is het moment dat het is mis gegaan. Ook ging het mis
toen ik negen was, mijn eerste optreden. Met mijn moeder deed ik mee aan een
concours, zij speelde piano, ik viool. Na afloop kon ik niet genoeg krijgen
van dat applaus; ik blééf maar van die diepe buigingen maken,
zoals ik klassieke musici wel eens had zien doen. Op een gegeven moment heeft
mijn moeder mij gewoon van dat podium moeten afhalen.
Nu kan ik alles naar mijn eigen hand zetten. Op het podium speel ik een brutaal
jong ventje dat alles durft. Naast het podium ben ik bijna het tegenovergestelde.
Ik probeer niet constant grappig te zijn, anders word ik, denk ik, helemaal
gek van mezelf. Anderen trouwens ook. Soms probeer ik onder mijn vrienden wel
eens een grapje uit en dan hoor je ze zuchten: daar heb je hèm weer.
Uiteindelijk is cabaret toch een soort exhibitionisme. Ik wìl op het
podium staan, en ik wil dat mensen om mij lachen.'
Om trio ROOYACKERS, KAMPS & KAMPS wordt er van veel kanten
gelachen. Joost Nuissl, directeur van de Amsterdamse cabarettempel De Kleine
Komedie roept al een tijdje dat het trio héél groot gaat worden
en sinds de drie vorig jaar het Amsterdams Kleinkunst Festival wonnen, zijn
ze gebombardeerd tot de grote belofte voor het komend theaterseizoen. Bor Rooyackers
blijft er nuchter onder: 'Als je ons over straat ziet lopen, zou je niet zeggen
dat wij cabaretiers zijn. Laat staan dat wij de grote belofte zijn.'
'We moeten opeens grappig zijn,' reageert Tim Kamps droog.
Zijn tweelingbroer Wart knikt: 'Mensen die zeggen dat wij waanzinnig zijn, baseren
dat op ons programma dat nog maar een half uur lang is. We zijn dan wel erg
trots op die dertig minuten, maar het moet nog maar blijken of wij nog net zo
goed zijn als we avondvullend spelen. Daar zijn we zelf ook erg benieuwd naar.'
Bor, Tim en Wart schreven zich 'voor de grap' in voor het Amsterdams Kleinkunst
Festival, een van de grote cabaretwedstrijden. Bor vertelt dat ze een week voor
de voorrondes nog geen seconde programma hadden. 'Op de dag zelf hebben we nog
vijf minuten programma verzonnen en tot onze verbazing werden we daarna gebeld
dat we door waren naar de halve finale. Dat betekende dat we drie dagen later
een programma klaar moesten hebben van een half uur! Nadat we in alle haast
nieuwe dingen hadden verzonnen, wonnen we weer en stonden we opeens in de finale.
Konden we wéér de oefenruimte in! Het half uur waar we toen mee
kwamen hebben in een week eruit gestampt. Toen was het nog steeds wel een ontzettend
zooitje, maar er zat tenminste potentie in.'
Wart: 'Inmiddels hebben we veel van die oude dingen eruit gegooid, of ze zijn
gereduceerd tot een paar seconden.'
Tim: 'Dat gebeurt wel vaker. Dan verzinnen we iets van twee minuten en wat er
overblijft is iets van twee seconden. Ben je daar weken mee bezig geweest...'
Bor: 'Soms gooien we ook wel dingen weg, omdat we dan denken dat iemand anders
het al heeft gedaan. Iets wordt al snel een parodie en dat willen we echt niet
maken. We zijn nu eenmaal erg kritisch voor onszelf, vandaar ook dat we er niet
zo blij mee zijn dat we als veelbelovende talenten zijn binnengehaald. Dat schept
te hoge verwachtingen, en het gebeurt nog steeds dat we optredens hebben die
niet zo goed gaan, zoals het optreden tijdens Lowlands van het afgelopen jaar.
Toch horen die slechte optredens er wel bij, die zorgen ervoor dat we alert
blijven.'
'We hebben een tijd gehad dat we de zaal bij elk optreden helemaal plat kregen,'
vertelt Wart. 'Dat was heel bizar, maar toen dat op een gegeven moment ophield,
realiseerden we ons opeens waar we eigenlijk mee bezig waren.'
Bor vult aan: 'Cabaret is eigenlijk iets heel geks: mensen komen naar je toe
om te lachen. Wij maken geen grappen, wij creëren grappige situaties. Ons
programma gaat dan ook helemaal nergens over. Wij passen niets aan op de actualiteit
en we gaan zeker geen liedjes zingen met Kosovo in ons achterhoofd.'
Wart: 'Alles wat we bedenken gaat heel erg over relaties tussen ons drieën.
Dan heeft de ene de macht, en dan weer de ander. Die relaties bestaan ook in
het echt, op het podium vergroten we ze alleen even. We zijn onszelf, alleen
dan in overdreven vorm.'
Tim: 'Zo voelen Wart en ik elkaar wel aan omdat we tweelingbroers zijn. Als
ik tegen hem schreeuw, dan is het een minuut later weer okee. Als ik dat tegen
Bor doe, blijft hij daar dagenlang mee lopen, ik kan mij niet helemaal laten
gaan.'
Bor: 'Niet dat ik er buiten val, want het is juist goed dat ik anders ben, dat
zorgt voor de afwisseling. Tenslotte hebben Tim en Wart dezelfde mimiek. Wanneer
we optreden, buiten we de verschillen uit en doen we op het podium allemaal
wat anders. Eigenlijk zou je onze voorstelling drie keer moeten zien, dan kun
je elke keer iemand anders volgen.'
Rooyackers, Kamps & Kamps komen in november met hun programma ('Mensen die ons bij Lowlands hebben gezien of bij een ander slecht optreden: het spijt ons, het wordt nog beter, kom asjeblieft terug'). Jochem ('leg een matrasje voor mij klaar') Myjer en Najib ('als ik muzikant was geweest, had ik wèreldhits gemaakt') Amhali komen in september de theaters voor een avond vullen.
Dit artikel is eerder verschenen in OOR, 15 mei 1999