HARD GELACH
Artikel in Oor 1999 door Annoesjka Brohm


Buikkramp, kaakpijn, ademnood, proeststuip, tranende ogen... Denk je de winter snot- en virusloos te zijn doorgekomen, krijg je dìt weer. Jonge cabarettalenten besmetten massaal het argeloze theaterpubliek, waarbij grof geweld niet wordt geschuwd. Eenmaal begonnen met lachen, kom je er niet meer vanaf.

Najib Amhali (Nador, Marokko, 28), Jochem Myjer (Leiden, 22) en Rooyackers (Haarlem, 24), Kamps & Kamps (Utrecht, 21) kunnen allemaal betiteld worden als de nieuwe cabaretbeloften die in het najaar de theaters bestormen met hun avondvullend programma. Misschien heb je ze al gezien, want de afgelopen maanden stonden ze in de theaters met een kort programma, samen met een andere cabaretier die ook nog geen avondvullende voorstelling heeft. En zo krijgt het publiek twee of drie cabaretacts voor de prijs van één. Geen wonder dat die combi-optredens vaak zijn uitverkocht.

NAJIB AMHALI ('maar als dat te moeilijk is mag je ook Nico zeggen') bleek een vooruitziende blik te hebben en noemde zijn korte programma Vol = Vol. Vorig jaar won hij het Leids Cabaret Festival, en nu staat hij met het stand-up comedygezelschap Fresh Wagon (de jonge en snellere afsplitsing van Comedytrain) op het Drum Rhythm Festival. Wie hem eerder heeft zien optreden, weet dat hij niet onder doet voor Theo Maassen of Hans Teeuwen.
'Of ik het gemaakt heb? Nee. Maassen en Teeuwen hebben al drie programma's achter hun naam staan, Youp van 't Hek is miljonair en verkoopt boekjes... Ik heb nog niet eens T-shirtjes! Ik ga het maken, dat is iets wat zeker is. Ik heb al fans die me schrijven en cadeautjes geven en soms word ik op straat herkend: Ben jij nou die ene comedian? Dan zeg ik: Nee, ik ben die ànder.'
Najib geldt als een van de beste human beat boxers van Nederland en hij is een meester in het imiteren van geluiden. Zijn versie van de laatste aflevering van de Fabeltjeskrant, waarin Johan V. het praathuis heeft opgekocht en Bor de Wolf een forse gebruiker is ('Hatsikidee, doe mij maar een gram of twee'), kan tot een succesnummer gerekend worden. Na de toneelschool ('ik voelde me toch niet zo aangesproken tot Shakespeare'), deed hij auditie bij Comedytrain.

'Dat was verschrikkelijk eng. Sommigen die voor mij speelden, gingen vreselijk af en het leek me zo erg als je een grap maakte waar niemand om moest lachen. Bovendien weet je met stand-up nooit wat er kan gebeuren. Iemand kan opeens AAP! roepen en dan moet je daar wel iets mee doen en ik wist niet of ik dat wel kon. Dus ik zat aan de bar, bestelde drankje na drankje, zodat ik even later flink aangeschoten het podium op stapte. Voordat ik het wist was ik al tien minuten bezig, en dat was de tijd die ik had gekregen. Maar toen was ik nog helemaal niet aan mijn materiaal toegekomen, ik had gewoon staan improviseren.
De mensen van Comedytrain zeiden dat ik weg moest, maar ik wilde echt nog mijn materiaal spelen. Ik was toch nog niet begonnen?! Uiteindelijk wisten ze mij toch van het podium te krijgen en ik was boos dat ik mijn materiaal nog niet eens had mogen spelen. Ik had dus ook nooit gedacht dat ze mij zouden aannemen, want ik dacht dat ze kwaad op me waren. Maar dat viel mee.
Vier jaar later won ik het Leids Cabaret Festival. Ik doe dan wel geen echt cabaret, maar er zit een liedje in, dus mag het stand-up cabaret heten. Ik ben van plan mijn volgende programma meer cabaretesk te maken. Ik wil nu dingen gaan uitbeelden, en mooie verhalen vertellen. Als comedian was ik gewend dat het geen moment stil mocht zijn, en dat je alleen maar grappen moest maken, omdat je anders de aandacht kwijt bent. Maar nu mag ik best eens stil zijn. Een ander verschil tussen cabaret en stand-up is dat het verhaal veel meer vast staat. Toch, als er iets gebeurt, stap ik net zo makkelijk even van mijn verhaal af. Laatst lag een man dubbel van het lachen, die had gewoon buikpijn. Hij was ook de enige die zo hard lachte, dus het viel heel erg op. Uiteindelijk is hij naar buiten gelopen, waarop ik tegen het publiek zei dat we even op hem zouden wachten. Dus toen die man terug kwam, vroeg ik of het weer ging. Nee, zei die man, schoot in de lach en liep de zaal opnieuw uit.
Zelf moet ik ook wel eens lachen op het podium, vaak doordat iemand een opmerking maakt. Zo vraag ik in mijn programma wat nou echt kenmerkend is voor Nederland, wat nou cultureel is en waar je dan heen gaat. Hoor ik opeens een man Bergeyk zeggen. Geweldig. Het is leuk als ik veel reacties uit de zaal krijg, meestal duren die optredens dan ook langer.'

In zijn programma heeft Najib het vooral over zijn vader die probeerde in de Nederlandse samenleving te integreren, waarmee en passant de verschillen tussen Nederland en Marokko op de hak worden genomen. 'Als Marokkaan kom ik graag bij de mensen thuis,' zo begint hij. 'Maar ik ben blij dat u nu allemaal bij mij in de zaal zit. Ik hoop alleen dat mijn Marokkaanse broeders nu niet bij u thuis zitten.'

Ook JOCHEM MYJER komt graag bij de mensen thuis. Met zijn razendsnelle programma Gegabber
won hij in 1997 het Groninger Studenten Cabaret Festival en een jaar later het RTL-5 Student Talent.
'Eén van de leukste dingen is het zwerfbestaan dat ik nu leid. Ik heb geen auto, dus ik kom met de trein meestal niet meer terug naar Groningen, waar ik woon. Vaak vraag ik aan de mensen die na afloop van de voorstelling naar mij toekomen, of ik bij ze mag logeren. Eigenlijk is dat altijd wel goed. Dan word ik de volgende ochtend in een vreemd bed wakker, krijg een lekker ontbijtje van die mensen en dan neem ik de trein weer terug. Laatst stond ik in Groesbeek en toen ik klaar was, was mijn collega al weg. In de zaal had een voetbalelftal gezeten en 's avonds ben ik met een paar voetballers meegegaan naar Wychen, een plaatsje daar in de buurt.
We eindigden in de plaatselijke kroeg, waar op een gegeven moment iemand naar me toe kwam en zei: hé, ik ken jou, jij bent die cabaretier. Voor ik het wist stond ik met een microfoon in mijn hand te beatboxen.'

Jochem studeerde biologie toen hij zich inschreef voor het Groninger Studenten Cabaret Festival. Voor niemand was het een verrassing dat hij won, behalve voor zichzelf.
'Ik was net twintig en iedereen was minstens vier jaar ouder dan ik. Ook hadden ze allemaal ooit wel eens aan een cabaretfestival meegedaan en daar kwam ik, als onervaren broekie. Ik heb nooit gedacht dat er maar zelfs een kans zou zijn dat ik zou winnen. Ik was altijd maar een beetje aan het aankloten geweest op open podia en zo. Toen ik won kreeg ik opeens een impresariaat dat allerlei optredens voor mij regelde. Eerst probeerde ik nog wel mijn studie ernaast te doen, maar uiteindelijk kreeg ik zoveel optredens dat ik die studie maar heb laten zitten. En nu ben ik op weg naar de top. Tenminste, dat is wel de bedoeling. Het lijkt me mooi om mijn eigen publiek te hebben, net als Theo Maassen en Hans Teeuwen. Ik zou er geen genoegen mee nemen als ik de rest van mijn carrière in jongerencentra en kleine zaaltjes zou moeten aankloten, want in grote zalen speel ik toch het lekkerst. Kan ik lekker stuiteren en als ik dan mijn eigen publiek heb, stuitert dat met mij mee...
Ik speel heel energiek, snelheid vind ik heel belangrijk. Als ik een paar minuten heb gepraat, wil ik weer achter de piano kruipen. Van de ene scène naar de andere, alles moet kort en krachtig. Ik bedenk mijn programma's ook per minuut. Het gebeurt vaak dat ik iets heb bedacht van vijf minuten, maar als ik het dan speel, zijn er nog maar twee van over gebleven. Het moet ook niet langer duren, anders valt het teveel op in de voorstelling. Dat vind ik zelf ook als ik naar cabaret kijk: het moet snel zijn. Tja, ik hoor tot de zapgeneratie, maar ik was vroeger eigenlijk heel rustig. Tot mijn tweede jaar. Toen ben ik van de trap gepleurd en op mijn kop terecht gekomen. Drie weken na die val werd ik opeens heel druk. En dat is het moment dat het is mis gegaan. Ook ging het mis toen ik negen was, mijn eerste optreden. Met mijn moeder deed ik mee aan een concours, zij speelde piano, ik viool. Na afloop kon ik niet genoeg krijgen van dat applaus; ik blééf maar van die diepe buigingen maken, zoals ik klassieke musici wel eens had zien doen. Op een gegeven moment heeft mijn moeder mij gewoon van dat podium moeten afhalen.

Nu kan ik alles naar mijn eigen hand zetten. Op het podium speel ik een brutaal jong ventje dat alles durft. Naast het podium ben ik bijna het tegenovergestelde. Ik probeer niet constant grappig te zijn, anders word ik, denk ik, helemaal gek van mezelf. Anderen trouwens ook. Soms probeer ik onder mijn vrienden wel eens een grapje uit en dan hoor je ze zuchten: daar heb je hèm weer. Uiteindelijk is cabaret toch een soort exhibitionisme. Ik wìl op het podium staan, en ik wil dat mensen om mij lachen.'

Om trio ROOYACKERS, KAMPS & KAMPS wordt er van veel kanten gelachen. Joost Nuissl, directeur van de Amsterdamse cabarettempel De Kleine Komedie roept al een tijdje dat het trio héél groot gaat worden en sinds de drie vorig jaar het Amsterdams Kleinkunst Festival wonnen, zijn ze gebombardeerd tot de grote belofte voor het komend theaterseizoen. Bor Rooyackers blijft er nuchter onder: 'Als je ons over straat ziet lopen, zou je niet zeggen dat wij cabaretiers zijn. Laat staan dat wij de grote belofte zijn.'
'We moeten opeens grappig zijn,' reageert Tim Kamps droog.
Zijn tweelingbroer Wart knikt: 'Mensen die zeggen dat wij waanzinnig zijn, baseren dat op ons programma dat nog maar een half uur lang is. We zijn dan wel erg trots op die dertig minuten, maar het moet nog maar blijken of wij nog net zo goed zijn als we avondvullend spelen. Daar zijn we zelf ook erg benieuwd naar.'

Bor, Tim en Wart schreven zich 'voor de grap' in voor het Amsterdams Kleinkunst Festival, een van de grote cabaretwedstrijden. Bor vertelt dat ze een week voor de voorrondes nog geen seconde programma hadden. 'Op de dag zelf hebben we nog vijf minuten programma verzonnen en tot onze verbazing werden we daarna gebeld dat we door waren naar de halve finale. Dat betekende dat we drie dagen later een programma klaar moesten hebben van een half uur! Nadat we in alle haast nieuwe dingen hadden verzonnen, wonnen we weer en stonden we opeens in de finale. Konden we wéér de oefenruimte in! Het half uur waar we toen mee kwamen hebben in een week eruit gestampt. Toen was het nog steeds wel een ontzettend zooitje, maar er zat tenminste potentie in.'
Wart: 'Inmiddels hebben we veel van die oude dingen eruit gegooid, of ze zijn gereduceerd tot een paar seconden.'
Tim: 'Dat gebeurt wel vaker. Dan verzinnen we iets van twee minuten en wat er overblijft is iets van twee seconden. Ben je daar weken mee bezig geweest...'
Bor: 'Soms gooien we ook wel dingen weg, omdat we dan denken dat iemand anders het al heeft gedaan. Iets wordt al snel een parodie en dat willen we echt niet maken. We zijn nu eenmaal erg kritisch voor onszelf, vandaar ook dat we er niet zo blij mee zijn dat we als veelbelovende talenten zijn binnengehaald. Dat schept te hoge verwachtingen, en het gebeurt nog steeds dat we optredens hebben die niet zo goed gaan, zoals het optreden tijdens Lowlands van het afgelopen jaar. Toch horen die slechte optredens er wel bij, die zorgen ervoor dat we alert blijven.'
'We hebben een tijd gehad dat we de zaal bij elk optreden helemaal plat kregen,' vertelt Wart. 'Dat was heel bizar, maar toen dat op een gegeven moment ophield, realiseerden we ons opeens waar we eigenlijk mee bezig waren.'
Bor vult aan: 'Cabaret is eigenlijk iets heel geks: mensen komen naar je toe om te lachen. Wij maken geen grappen, wij creëren grappige situaties. Ons programma gaat dan ook helemaal nergens over. Wij passen niets aan op de actualiteit en we gaan zeker geen liedjes zingen met Kosovo in ons achterhoofd.'
Wart: 'Alles wat we bedenken gaat heel erg over relaties tussen ons drieën. Dan heeft de ene de macht, en dan weer de ander. Die relaties bestaan ook in het echt, op het podium vergroten we ze alleen even. We zijn onszelf, alleen dan in overdreven vorm.'
Tim: 'Zo voelen Wart en ik elkaar wel aan omdat we tweelingbroers zijn. Als ik tegen hem schreeuw, dan is het een minuut later weer okee. Als ik dat tegen Bor doe, blijft hij daar dagenlang mee lopen, ik kan mij niet helemaal laten gaan.'
Bor: 'Niet dat ik er buiten val, want het is juist goed dat ik anders ben, dat zorgt voor de afwisseling. Tenslotte hebben Tim en Wart dezelfde mimiek. Wanneer we optreden, buiten we de verschillen uit en doen we op het podium allemaal wat anders. Eigenlijk zou je onze voorstelling drie keer moeten zien, dan kun je elke keer iemand anders volgen.'

Rooyackers, Kamps & Kamps komen in november met hun programma ('Mensen die ons bij Lowlands hebben gezien of bij een ander slecht optreden: het spijt ons, het wordt nog beter, kom asjeblieft terug'). Jochem ('leg een matrasje voor mij klaar') Myjer en Najib ('als ik muzikant was geweest, had ik wèreldhits gemaakt') Amhali komen in september de theaters voor een avond vullen.

Dit artikel is eerder verschenen in OOR, 15 mei 1999

Terug naar interviews